top of page
Zoeken

Inversietherapie bij een hernia en lage-rugpijn: wat weten we uit onderzoek?

  • Foto van schrijver: Boris Feldman
    Boris Feldman
  • 22 uur geleden
  • 4 minuten om te lezen

Een hernia in de onderrug kan behoorlijk vervelend zijn. Soms blijft de pijn voornamelijk in de rug, maar bij irritatie of druk rond een zenuwwortel kan de pijn uitstralen naar de bil of het been. Ook tintelingen, een doof gevoel of krachtsverlies kunnen voorkomen.

Naast oefentherapie en het geleidelijk hervatten van dagelijkse activiteiten wordt soms gebruikgemaakt van tractie of decompressie van de onderrug. Een bekende vorm waarbij de zwaartekracht wordt gebruikt, is een inversietafel zoals de Teeter.

Maar werkt tractie eigenlijk? En welke plaats kan een inversietafel hebben binnen fysiotherapie?


Wat is tractie?

Bij tractie wordt gedurende een bepaalde tijd een trekkracht op de wervelkolom uitgeoefend. Bij mechanische tractie gebeurt dat met een apparaat. Bij een inversietafel wordt het lichaam onder een hoek achterover gekanteld, waardoor de zwaartekracht voor een trekkracht in de lengterichting van het lichaam zorgt.

Het doel is niet om een hernia letterlijk “terug op zijn plaats te trekken”. Dat is een te eenvoudige voorstelling van wat er in de rug gebeurt.

Het idee achter tractie is onder andere dat tijdelijk minder compressie op bepaalde structuren ontstaat en dat de ruimte rond de zenuwwortel kan veranderen. Hierdoor kunnen sommige patiënten tijdelijk minder rug- of beenpijn ervaren.


Wat zegt wetenschappelijk onderzoek?


Een meta-analyse uit 2022 onderzocht zes gerandomiseerde onderzoeken naar mechanische tractie bij patiënten met een lumbale discus hernia. In totaal werden 239 patiënten meegenomen in de analyse van pijn.

De onderzoekers vergeleken fysiotherapie mét mechanische tractie met conventionele fysiotherapie zonder tractie.

De uitkomst was interessant.


Minder pijn

Op een VAS-pijnschaal scoorde de tractiegroep gemiddeld 1,39 punt lager dan de groep die alleen conventionele fysiotherapie kreeg.

Dit verschil was statistisch significant.

Dat betekent niet dat iedere patiënt 1,39 punt minder pijn krijgt. Het is een gemiddeld resultaat van de onderzochte groepen.


Beter functioneren

Ook werd gekeken naar de Oswestry Disability Index (ODI). Deze vragenlijst meet hoeveel iemand door rugklachten wordt beperkt bij bijvoorbeeld lopen, zitten, staan, slapen en dagelijkse activiteiten.

De tractiegroep verbeterde gemiddeld ongeveer 6,3 punten meer op de ODI dan de controlegroep.

Ook dit verschil was statistisch significant.


Niet duidelijk soepeler

Bij de Schober-test, een maat voor de beweeglijkheid van de onderrug, werd géén statistisch significant voordeel van tractie gevonden.

Dat is klinisch belangrijk.

Tractie kan dus bij bepaalde patiënten pijn en beperkingen verminderen, maar dat betekent niet automatisch dat de rug daardoor aantoonbaar beweeglijker wordt.


En hoe zit het specifiek met inversietherapie?


Een van de onderzoeken die in de meta-analyse werd meegenomen, onderzocht daadwerkelijk inversietherapie bij patiënten met een discusprobleem in de onderrug.

Dat maakt inversietherapie interessant, maar we moeten voorzichtig blijven met conclusies. De meta-analyse combineerde namelijk verschillende vormen van tractie. De resultaten van mechanische tractie als geheel kunnen daarom niet één-op-één worden vertaald naar iedere Teeter-behandeling.

Een inversietafel zien wij daarom vooral als een mogelijke aanvullende interventie, niet als vervanging van actieve revalidatie.


Waarom combineren met oefentherapie?

Pijnvermindering is prettig, maar het uiteindelijke doel van fysiotherapie is meestal groter: weer kunnen lopen, werken, sporten, bukken, tillen en bewegen met voldoende vertrouwen.

Daarom kan na een goed verdragen periode van decompressie worden gewerkt aan bijvoorbeeld:

  • controle van de romp en het bekken;

  • kracht en uithoudingsvermogen van de rompspieren;

  • mobiliteit waar dat daadwerkelijk beperkt is;

  • heup- en bilspieren;

  • geleidelijke belasting van de rug;

  • lopen en dagelijkse activiteiten;

  • sportspecifieke belasting.

De combinatie kan dus praktisch worden gezien als:


eerst symptomen beïnvloeden → daarna bewegen en belasten → vervolgens capaciteit opbouwen.


Hoe gebruiken we een inversietafel?

Meer is niet automatisch beter.

Een patiënt hoeft niet volledig ondersteboven te hangen om een tractie-effect te ervaren. Bij een eerste sessie kan juist met een beperkte hellingshoek en korte duur worden begonnen.


De fysiotherapeut kijkt naar de reactie tijdens én na de behandeling.


Belangrijke vragen zijn bijvoorbeeld:

Wordt de beenpijn minder?


Dat kan een gunstige reactie zijn.


Trekt de pijn vanuit het onderbeen meer richting bil of rug?


Ook dit kan klinisch interessant zijn en moet samen met andere bevindingen worden beoordeeld.


Neemt de uitstraling juist toe?


Dan moet de behandeling worden aangepast of gestopt.


Ontstaan nieuwe tintelingen, gevoelsveranderingen of krachtsvermindering?


Dan is verdere beoordeling nodig.

De dosering hoort daarom niet alleen te worden bepaald door een vast aantal minuten of een bepaalde hoek, maar vooral door de individuele respons.

Wanneer is extra voorzichtigheid nodig?

Inversie verandert niet alleen de belasting van de rug. De houding heeft ook invloed op de bloedsomloop en kan onder andere de druk in het hoofd en de ogen beïnvloeden.

Daarom is screening belangrijk.


Inversietherapie kan bijvoorbeeld ongeschikt zijn bij bepaalde cardiovasculaire aandoeningen, onvoldoende gecontroleerde hoge bloeddruk, glaucoom of verhoogde oogdruk en sommige neurologische, vasculaire of botgerelateerde aandoeningen.


Ook na recente operaties, bij bepaalde vormen van osteoporose en tijdens zwangerschap moet eerst worden beoordeeld of inversie verantwoord is.

Daarom gebruiken we een inversietafel niet simpelweg omdat iemand “een hernia op de MRI” heeft.


Een MRI bepaalt niet alleen de behandeling

Een discusuitstulping op een MRI vertelt maar een deel van het verhaal.

De fysiotherapeut kijkt ook naar:

  • waar de pijn zit en waar deze naartoe trekt;

  • kracht;

  • gevoel;

  • reflexen;

  • bewegingen die klachten verminderen of verergeren;

  • belastbaarheid;

  • dagelijkse activiteiten;

  • herstel over tijd.

Op basis daarvan kan worden bepaald of decompressie überhaupt zinvol is.


Wanneer moet u eerst medisch worden onderzocht?


Bij toenemend krachtsverlies, problemen met plassen of ontlasting, gevoelloosheid rond het zitvlak of de geslachtsdelen, ernstige onverklaarde ziekteverschijnselen of snel progressieve neurologische klachten is een inversietafel niet de eerste stap.

Dan is medische beoordeling noodzakelijk.


Teeter is een hulpmiddel, geen wonderbehandeling


Dat is misschien de belangrijkste boodschap.

De beschikbare onderzoeken geven aanwijzingen dat mechanische tractie bij patiënten met een lumbale discus hernia op korte termijn pijn kan verminderen en functioneren kan verbeteren.


Tegelijkertijd zijn de onderzoeken relatief klein. De meta-analyse bevatte slechts zes studies en de auteurs geven zelf aan dat grotere gerandomiseerde onderzoeken nodig zijn.


Daarom zien we decompressie niet als een behandeling die een beschadigde tussenwervelschijf “repareert”.

Het kan wel een hulpmiddel zijn om bij een geselecteerde patiënt tijdelijk klachten te verminderen en bewegen gemakkelijker te maken.


En juist dat moment kan worden benut voor het belangrijkste onderdeel van de revalidatie: weer leren bewegen, belasten en vertrouwen opbouwen in de rug.


Inversietherapie bij Salbar Fysiotherapie

Bij Salbar Fysiotherapie kan een inversietafel, wanneer daarvoor een passende indicatie bestaat, worden geïntegreerd in een bredere fysiotherapeutische behandeling.

Afhankelijk van de bevindingen kan dit worden gecombineerd met oefentherapie, mobiliteitstraining, stabilisatietraining en andere passende fysiotherapeutische interventies.

Niet de machine, maar de reactie van de patiënt en het behandelplan bepalen uiteindelijk of decompressie een zinvolle aanvulling is.

 
 
bottom of page